De nieuwe tijd: 1900-1920

Theorieën over het individu

  • Pas in het begin van de twintigste eeuw begonnen de ideeën van een aantal 19e-eeuwse wetenschappers door te dringen tot het gemeenschappelijke denken. Dat gold vooral voor Darwin, Marx en Nietzsche. Charles Darwin had in zijn boek The Origin of Species aangetoond dat levende wezens zich in de loop van de geschiedenis aanpassen aan de omstandigheden: de evolutieleer. Oorlogen en menselijke conflicten werden met deze theorie al snel verkeerd uitgelegd als de strijd van de sterken tegen de zwakken om te overleven. Karl Marx, bedenker van het socialisme, paste de leer van Darwin toe op ‘hogere’ en ‘lagere’ maatschappelijke klassen. Voor de filosoof Friedrich Nietzsche was het toen nog maar één stap om een tamelijk racistische theorie te formuleren over de Über- en Untermensch. Deze theorieën werden een aanknopingspunt voor de vervolging van zwakkere etnische bevolkingsgroepen, zoals de Joden en verschillende volken op de Balkan.
  • Een logisch vervolg op Darwins theorie van de menselijke en dierlijke ontwikkeling was het idee dat menselijke gevoelens en gedachten een biologische drijfveer hebben, zoals de wil om te overleven en zich voort te planten. De Weense arts en psychiater Sigmund Freud bedacht dat het menselijke ik uit twee lagen is opgebouwd: het bewustzijn (gedachten en gevoelens die men bij zichzelf kan waarnemen) en het onbewuste. In het onderbewustzijn worden biologische processen geregeld die ervoor moeten zorgen dat de menselijke soort in stand blijft. Freud noemde dat driften. Hij beschouwde seksualiteit als directe uiting van de drang om zich voort te planten.

super-ego
het 'topje' beschaving en opvoeding, ons maatschappelijk gedrag

onder-bewuste

verborgen driften en (seksuele) verlangens
  • Driften moeten volgens Freud in de loop van de ontwikkeling ‘bevredigd’ (gesublimeerd) worden. Een baby moet af regelmatig van zijn moeder de borst te krijgen om aan zijn behoefte aan voeding en instandhouding te voldoen. Gebeurt dat niet, dan kan dat later voor psychische spanningen en afwijkingen zorgen. Wanneer driften botsen met de werkelijkheid, raakt iemand ‘gefrustreerd’. In het ergste geval groeit hij uit tot een seriemoordenaar, of een machtswellusteling. Freud ontwikkelde een therapie die mensen toegang moest geven tot hun onderbewuste. Door middel van ‘vrije associatie’ moesten zij vertellen wat spontaan in hen opkwam. In zijn boek Die Traumdeutung (1900) kwam Freud met een uitleg voor dromen, die volgens hem uit het onbewuste opborrelen als lava uit een vulkaan.

Volgens Freud kan iemand zijn gedrag en gevoelens maar heel beperkt sturen. Hij is het slachtoffer van zijn eigen onbewuste verlangens en driften. Hoewel deze spanningen door psychotherapie een uitweg kunnen vinden, kan de oorzaak niet worden weggenomen. De psycho-analyse presenteerde een pessimistische visie op de mens, die vanaf 1900 veel (met name Weense) expressionistische kunstenaars beïnvloedde.

Top

Terug