De nieuwe tijd: 1900-1920

De Belle Époque

  • Het dagelijks leven aan het begin van de twintigste eeuw kwam er geleidelijk anders uit te zien als gevolg van veranderingen in techniek, handel en de maatschappij. De steden, waar sinds de industrialisatie in de negentiende eeuw steeds meer mensen gingen wonen, kregen een moderne infrastructuur. Trams, de metro en auto’s verdrongen het paard uit het stadsbeeld. Warenhuizen bonden de strijd met elkaar aan. Het wonen en werken speelde zich af in grote complexen met huurappartementen en kantoren.
  • In de loop van de negentiende eeuw was de arbeidersbeweging ontstaan, die dankzij de socialistische theorieën van Marx uitgroeide tot een invloedrijke politieke groepering. Door de invoering van de leerplicht en de sterk groeiende pers werden mensen zich meer bewust van het reilen en zeilen van een land. De nog jonge politieke partijen en de vrouwenbeweging zetten zich rond 1900 in voor betere arbeidsomstandigheden, sociale wetgeving, de toegankelijkheid van het hoger onderwijs en algemeen kiesrecht. De debatten uit deze jaren hebben de moderne samenleving voor een belangrijk deel gevormd. De jeugdbeweging probeerde met allerlei sportieve en culturele activiteiten kinderen uit achterstandsgebieden vorming en vermaak te bieden. Daartoe behoorden bijvoorbeeld allerlei sportverenigingen en de padvinderij. 

De democratische verbeteringen rond 1900 waren nog te klein om een eind te maken aan de scherpe scheiding tussen de werkende en aristocratische klasse. Ook internationaal werd het toneel bepaald door de op politieke invloed en economische uitbreiding gerichte vorstenhuizen van Duitsland, Oostenrijk en Rusland. De Oostenrijkse keizer Franz-Joseph stelde zich in 1910 voor aan de Amerikaanse president Theodore Roosevelt met de woorden: "Voor u staat de laatste Europese vorst van de oude school." Maar het tij was niet meer te keren. De roep om democratie en maatschappelijke gelijkheid, ingezet in de 19e eeuw, werd steeds sterker. In de moderne tijd was geen plaats meer voor een standenmaatschappij, geleid door een militaristisch vorstenhuis. Pas toen die macht was gebroken, kwam de weg vrij voor de invoering van het algemeen kiesrecht, in de meeste Europese landen tussen 1918 en 1920.

  • Wenen en Parijs waren de culturele hoofdsteden van 1900. Het conservatieve Wenen was het symbool van het wegkwijnende Habsburgse keizerrijk. Men sprak gelaten van het fin-de-siècle, het einde van een tijdperk. Ingeklemd tussen Duitsland en de Balkan, lag de stad in het centrum van de politieke spanningen. De vergane glorie en de oorlogsdreiging werden door kunstenaars vertaald in zwartgallige en heftige gevoelsuitingen (Mahler, Rilke, Kokoschka). Bijna tegenovergesteld was de sfeer in Parijs. Daar had men al honderd jaar eerder afgerekend met de oude maatschappij. De stad had in de negentiende eeuw een ander aanzien gekregen. De dichtbebouwde, middeleeuwse binnenstad was veranderd in een metropool met brede boulevards, straalsgewijs aangelegde straten en open pleinen. 

De welgestelde inwoners namen volop deel aan de Belle Époque, het tijdperk van overdreven luxe en vermaak. Cafés, restaurants en metrostations werden met de zwierige lijnen van de art nouveau versierd. Het leven van de bourgeoisie speelde zich af tussen de tennisbaan, het Loeuvre en de Opéra, het cabaret in Montmartre en de Moulin Rouge. Vele jonge kunstenaars en impresario’s werden aangetrokken door La vie Parisienne. Debussy, Diaghilev, Cocteau, Apollinaire, Strawinsky – allemaal zouden ze hun vernieuwende stempel drukken op het culturele leven.

In 1889 vierde Parijs zijn welvaart met het organiseren van de wereldtentoonstelling, de Exposition Universelle, ter ere van de honderdste verjaardag van de Franse Revolutie. De Eiffeltoren werd gebouwd als een enorme toegangspoort. In 1900 was de stad opnieuw decor van de wereldtentoonstelling.

Top

Terug