Cultuur van de macht

Het mecenaat

  • De machtshebbers tijdens het quattrocento ontpopten zich een voor een als mecenas (sponsor en liefhebber van kunst). In Mantua heerste van 1328 tot 1708 het geslacht Gonzaga. Omdat de staat nogal klein en onbelangrijk was, knoopten de Gonzaga als eersten diplomatieke betrekkingen aan met andere vorstendommen, om eventuele invallen te vermijden. Om hun omgeving te imponeren organiseerden zij grandioze feesten en hadden zij de beste kunstenaars in dienst. Peter Paul Rubens werkte aan dit hof en Claudio Monteverdi componeerde er de eerste opera, l' Orfeo . Het culturele leven van Mantua kreeg nog een extra stimulans toen in 1490 Francesco Gonzaga II trouwde met Isabella d'Este. Deze adellijke dame had in Ferrara een grondige humanistische opleiding gekregen en bespeelde verschillende muziekinstrumenten. Door haar invloed had het hof van Ferrara een complete staf musici en componisten in dienst.

  • De Florentijnse familie de' Medici had een fortuin verdiend met investeringen in banken en handelshuizen. Alleen al in de lakenindustrie hadden zij 300 firma's met 10.000 arbeiders op hun naam. Cosimo de' Medici (1389-1464) was bijzonder geliefd onder de Florentijnen, omdat hij met schenkingen veel kunstprojecten in Florentijnse kerken sponsorde. In zijn paleis bracht hij kunstenaars en opdrachtgevers, wetenschappers en filosofen met elkaar in contact. Cosimo's kleinzoon Lorenzo 'Il Magnifico' onderhield contact met de architect Vasari. Hij gaf opdracht voor de bouw van het Palazzo Medici-Riccardi, volgens voorschriften van Vitruvius. Ook liet hij het Uffizi bouwen, een soort museum voor zijn kunstcollectie, en nu een grote toeristische trekpleister.

    De Medici regeerden als vorsten. Ze besteedden enorme sommen geld grote evenementen, waaraan ook de stadsbewoners deelnamen. Roemrucht waren de trionfi , feestelijke optochten met zang, dans en muziek, waarbij op een soort carnavalswagens allegorische voorstellingen werden uitgebeeld. Da Vinci en Botticelli werkten mee aan de kostumering en decors. Lorenzo was ook de broodheer van de componist Heinrich Isaac. Zelf schreef hij ook gedichten en muziek. Sierlijke dansen, maar ook carnavalsliederen met schuine teksten.

    De familie de' Medici leverde drie pausen en twee koninginnen. In 1535 trad Catharina de' Medici in het huwelijk met koning Hendrik II van Frankrijk. Bij haar verhuizing naar Parijs bracht ze een legertje koks, kunstenaars en musici mee. Catharina, die hield van buitensporig dure gewaden met goudbrokaat, damast en edelstenen, introduceerde daarmee de theaterspektakels en hofdansen, die hun hoogtepunt beleefden onder Lodewijk XIV.

  • Alle grote renaissancekunstwerken zijn op bestelling gemaakt. Hoewel vorsten de kunst gebruikten om het leven te veraangenamen en rijkdom en macht uit te stralen, was het meeste toch religieus van aard. Veel kerken zijn bijvoorbeeld gebouwd op verzoek van leken (niet-geestelijken). Cosimo de' Medici liet in Florence een klooster bouwen en drie kerken, waaronder de San Lorenzo, parochiekerk van de familie. Patriciërs deden het wat bescheidener: zij lieten een kapel oprichten, vaak met fraaie muur- en plafondschilderingen. Een prachtig voorbeeld is de Branaccikapel, met fresco's van Masaccio.

Voor kunstopdrachten werd een contract opgesteld, waarin afspraken stonden over de afmetingen, het thema, iconografisch programma, de materialen en de levertijd. Meestal had de mecenas direct persoonlijk of schriftelijk contact met de schilder of beeldhouwer. In brieven staan bijzondere details over de materialen, bijvoorbeeld 'het beste ultramarijn' . Deze blauwe kleurstof werd gemaakt van kostbaar poeder van lapis lazuli, dat uit het verre oosten werd geïmporteerd. Ultramarijn werd in contracten aangegeven in florijenen per ons.

Later kwam het accent minder op het materiaal te liggen, maar meer op de techniek. De opdrachtgevers stelden hoge eisen aan de vakbekwaamheid van schilders, in het schilderen van heuvels, vlakten, kastelen, perspectief, dieren. In het contract werd beschreven welke onderdelen door de meester zelf werden gemaakt, en welke door gezellen uit zijn atelier.

De Florentijnse koopman Giovanni Rucellai bezat de grootste particuliere kunstcollectie van Italië. Het ging hem niet alleen om het plezier van het bezit. Hij gaf ook enorme bedragen uit voor de decoratie van kerken (fresco's). Dit schonk hem “de grootste voldoening en plezier, want deze bedragen dienen de glorie van God, de eer van de stad en mijn eigen nagedachtenis.” Het mecenaat werd dus niet alleen ingegeven door liefde voor schilderijen, maar ook door burgerlijke deugd en een tikje vroomheid.

Top

Terug