Cultuur van de macht

Italiaanse hoven

  • De inwoners van het Italië van de 15e eeuw - zij spraken zelf van Mille quattrocento, veertienhonderd - voelden zich vertegenwoordigers van een Nieuwe Tijd. Er heerste een algemeen gevoel van onafhankelijkheid. Politieke onafhankelijkheid, want Italië bestond uit een aantal zelfvoorzienende, steenrijke republieken. Sociale onafhankelijkheid, omdat het feodale stelsel en de macht van de Kerk en afbrokkelden en werden opgevolgd door een open maatschappij, waar iedereen de mogelijkheid had zich te ontwikkelen. En geestelijke onafhankelijkheid, door het opnieuw ontdekken van het ideale mensbeeld van de Grieken en Romeinen, waardoor de aandacht verschoof van de goddelijke ordening van de kosmos naar de ontplooiing van het individu. Italië vormde zo de bakermat van een de moderne Europese wetenschap en cultuur.
  • Italië was in de 15e eeuw geen land als geheel, maar bestond uit vijf grote staten: het hertogdom Milaan, de republiek Venetië, Florence, de Kerkelijke Staat en het koninkrijk Napels. Daarnaast was er een aantal kleinere stadstaten, zoals de republiek Genua, het hertogdom Ferrara en de republiek Siena. Deze staten hielden elkaar redelijk in evenwicht, al probeerden Oostenrijk en Frankrijk regelmatig Italiaanse vorstendommen te annexeren.

Door een aantal ontwikkelingen aan het begin van de 15e eeuw kwamen de machtsverhoudingen in anders te liggen dan daarvoor. De pausen, die in Avignon verbannen waren geweest, keerde terug in Rome. Zij begonnen direct aan een totale renovatie van de Eeuwige Stad, met het plan de kerkelijke staat zowel militair als cultureel weer op de kaart te zetten. Ze gaven opdrachten voor imposante gebouwen en kunstwerken, waaronder de nieuwe St.-Pieterskerk. De andere staten wilden niet achterblijven en troefden elkaar af met kerken en stadspaleizen in de nieuwe stijl van de renaissance.

Ook binnen de staten veranderden de maatschappelijke verhoudingen. Florence, Siena, Genua en een aantal andere steden hadden zich ontwikkeld tot centra van internationale handel en het bankwezen. Die positie was te danken aan ondernemende particulieren, die fortuin hadden gemaakt met expedities naar onbekende gebieden. De handel in goud en zilver, zijde, edelstenen, suiker, specerijen en kleurstoffen was volledig in hun handen. Deze families namen hoge posities in het bestuur van de republiek in en vervingen de aristocratie als opdrachtgever en beschermheer van kunstenaars en architecten. Ze beconcurreerden elkaar om de beste kunstenaars in huis te hebben en hadden daar aanzienlijke transfersommen voor over. In Ferrara was hertog Lionello d'Este de begunstiger van een uitgebreide kunstenaarskring. Florence werd 300 jaar lang bestuurd door de zakenfamilie de' Medici , die vanaf Lorenzo (rond 1470) de titel van groothertog voerden en die regeerden als een vorstenhuis. Aan hun hof werkten verschillende beroemdheden, onder wie Botticelli, Da Vinci en Michelangelo.

  • In het quattrocento werden de hoven de centra van de nieuwe cultuur. Een hof (fort, Italiaans rocca) was sinds de middeleeuwen een groepje militair versterkte gebouwen van waaruit een heer zijn gebied bestuurde. Een Nederlands voorbeeld is het Prinsenhof in Delft, waar Willem van Oranje een tijd woonde en werkte. Aan zo'n hof leefden soms een paar honderd mensen, niet alleen naaste familie, maar ook een aantal families uit de hoogste adel van een land. De samenstelling van het hof veranderde voortdurend. Vaak verbleven kinderen uit de hoogste aristocratische families een tijd aan het hof voor hun opleiding en vorming.

Het hof was vaak een gemeenschap binnen een stad. Op het terrein stonden niet alleen woonhuizen en stallen, maar er was dikwijls ook een smederij, een bakkerij of een mandenvlechterij. Er waren kantoren, waar ambtenaren en juristen de administratie van leengelden en belastingen regelden. Er werd recht gesproken, diplomaten ontvangen.

  • Het Italiaanse palazzo in de 15e eeuw leek niet meer op een met torens versterkte en ommuurde vesting. Hertogen lieten hun stadskastelen ombouwen tot elegante palazzi, stadskantoren van waaruit bestuurlijke en economische zaken werden geregeld. Ze waren verfraaid met kostbare meubels, wandtapijten, muur- en plafondschilderingen vol mythologische voorstellingen. De palazzi werden letterlijk midden in de stad gebouwd, vaak aan een plein (piazza), een goed decor voor uitbundige feesten en optochten. Als sponsors van kerken en kapellen, van kunst en het openbare leven waren de vorsten uit op de bewondering van de stedelingen. Een hof was een centrum van kunst en wetenschap. Tot het personeel behoorden niet alleen bewakers, kamer- en keukenpersoneel en klerken, maar ook astrologen, muzikanten, dansleraars, schilders en beeldhouwers.

Veel rijke Italianen verruilden de drukke en smerige stad een groot deel van het seizoen voor de vriendelijke heuvels van het platteland. Zo'n plattelandsvilla ( villa suburbana ) had veel weg van een stadspaleis. Er waren prachtige staaltjes van classicistische architectuur bij; de architect Palladio maakte er zijn levenswerk van.

  • Zolang er hoven bestaan - ongeveer sinds de tijd van Karel de Grote - konden jonge patriciërs, zoons of dochters van leenmannen, een paar jaar in de hofhouding worden opgenomen. De eisen die aan een adellijke opvoeding werden gesteld, kwamen tijdens het quattrocento in het licht te staan van het humanisme (volgende hoofdstuk). In het oude tijdperk was een ridder in de eerste plaats een militair. Dat vereiste training van het lichaam. Maar volgens het nieuwe opvoedingsideaal moesten lichaam en geest in perfecte harmonie zijn. De hoveling moest een universeel mens worden. Een afspiegeling van dat ideaal is vandaag de dag nog steeds terug te vinden in de opvoeding die prinsen en prinsessen ontvangen, bijvoorbeeld in Engeland.

Baldassar Castiglione schreef in 1528 een boek over ideale hoveling, Il Cortegiano. Een ideale hoveling kon paardrijden, schermen, jagen, schieten en dansen. Hij moest kennis hebben van de vrije kunsten en vertrouwd zijn met literatuur, mathematica, de tekenkunst, geschiedenis, muziek en theater. Hij moest een uitstekend deelnemer en organisator zijn van feesten en spektakels. Hij moest goede manieren hebben, hoffelijk zijn, beheerst en bedreven in conversatie voeren. Hovelingen wedijverden met elkaar in perfectie. Wie aan dit ideaalbeeld voldeed, zou de gunst van adellijke meisjes verwerven en carrière aan het hof kunnen maken. Kunstzinnige vorming en etiquette bereikten hun hoogtepunt in het hofprotocol in Versailles, waar een verkeerde danspas al een minachtende blik opleverde.

Top

Terug